Selecteer een pagina

Ik vond mijzelf altijd hartstikke links. Tegen zwarte piet, voor het open zetten van grenzen voor vluchtelingen, een progressief belastingstelsel. En diversiteit – alhoewel in conflict over de weg ernaar toe – vind ik even belangrijk als de moderne feminist dat vindt.

In een hoek gedrukt

Gamergate en Anti-GamerGate had ik altijd beschouwd als een klassiek ‘links versus rechts’ fenomeen. Aan de rechterkant de vrouwonvriendelijk conservatievelingen (GamerGaters) en links de pro-diversiteit hippies (Nu term: Social Justice Warriors). Zonder me teveel verdiept te hebben in de materie besloot ik dat, wanneer iemand me zou vragen waar ik in de discussie zou staan, ik mijzelf dan maar zou inschalen als een SJW. Liefst had ik natuurlijk dat niemand erover begon omdat het me allemaal erg kinderachtig voorkwam.

Toch werd ik erin gezogen. In discussies op Facebook merkte ik dat mijn uitlatingen over vriendjespolitiek, belangenverstrengeling, en zelfs gebrekkig wetenschappelijk bewijs van serious games, ontspoorde in GamerGate-discussies. Erger nog, men begon mij er als een te zien. Dit was het punt waarop ik me begon in te lezen en het artikel ‘Ik ben Rogier en ik ben een Gamergater’ schreef. Ik meen dat ik, ondanks de clickbait-titel, een goede poging deed een midden te vinden in een onodig gepolariseerd debat. Wanneer je het leest zal je onmogelijk concluderen dat ik iets tegen diversiteit heb. Niet iedereen dacht daar zo over.

Terwijl ik met NRC samenwerkte voor het inmiddels gepubliceerde artikel over de Nederlandse Game-industrie, ontving de hoofdredactie een aantal emails en telefoontjes van de hoofdredacteur van Control, Matthijs Dierckx. Hij stortte een hoop negativiteit uit en liet NRC weten dat ze een fout zouden begaan door met mij samen te werken. Volgens Matthijs schreef ik smadelijke artikelen, ben ik vergelijkbaar met Micha Kat (een Holocaust-ontkenner), en overwoog hij mij voor de rechter te slepen. Iets waar hij van af had gezien omdat ik maar zo’n onbenullig blogje had.

Haatgroep

Gros van het kwaadspreken ging over mijn vermeende betrokkenheid bij een ‘haatgroep tegen diversiteit’, GamerGate. Matthijs stuurde als bewijs daarvoor mijn artikel erover mee. Dit stortte mij in een soort identiteitscrisis. Hoe was ik, iemand die zich altijd zo links voelde, in deze positie beland? Hoe kon het zijn dat bevlogen linkse idealisten zich bezigden met achter-de-rug-om kwaadspreken naar hoofdredacties? Linkse mensen zouden toch nooit zo handelen? Afgelopen weken heb ik mijn hoofd gebroken op deze vragen en ik denk dat ik een verklaring heb.

Een disclaimer: wat volgt is een theorie waarin ik een link leg tussen SJW’s en binnenlands beleid. Omdat ik niet ingelezen ben in buitenlandse politiek is het enkel van toepassing op de situatie hier in Nederland. Maar aangezien Nederland een land is dat veel kopieert (films, muziek, boeken, beleid?) sluit ik niet uit dat deze theorie ook over de grenzen toepasbaar is.

Topsectoren

De Nederlandse overheid investeert al jaren miljoenen in de creatieve industrie; een van de 9 ‘Topsectoren’. TNO, Economic Board Utrecht, HKU/UU en nog een aantal andere slimme lobbyisten hebben ervoor videogames geprofileerd als een innovatieve groeimarkt. Dit lukte mede door (serious) games zó te positioneren dat ze in aanmerking kwamen voor vele (NWO)-subsidies.

Gelijk aan de andere Topsectoren geldt dat de investeringen voor de game-industrie vanuit de overheid ge-matched moet worden door het bedrijfsleven. Economen voorspelden in 2012 al dat het Topsectorenbeleid mede hierdoor zou falen. Door de eis om een groot deel zelf op te moeten hoesten zouden de subsidies vooral gaan naar de gevestigde grote bedrijven met de beste subsidieologen in dienst. Het Topsectorenbeleid beloont dus de winnaars. 

Eigenlijk laten veel van mijn artikelen zien hoe de economen gelijk hadden. De Nederlandse game-industrie werd, en is nog steeds, gekaapt door enkele vermogenden zoals TNO, de Universiteit van Utrecht en de HKU. De HKU wordt op het moment zelfs geleid door Victor Wijnen, de subsidioloog die rond 2005 met de ongefundeerde omzetcijfers mee-lobbyde.

Criticasters van het Topsectorenbeleid waarschuwden niet alleen voor monopolievorming maar, ironisch genoeg, ook voor het gebrek aan diversiteit dat hieruit voort zou vloeien. De ‘matching-regeling’ zou ervoor zorgen dat vooral dezelfde oude blanke mannelijke directeuren het voor het zeggen hadden. Deze kritiek werd, samen met de missie van Neelie Kroes om diversiteit te pushen, vertaald in actieplannen, strategiën en…targets. En wie waren het die deze boodschap ingeprent kregen? Juist, de grote subsidievreters. De Nederlandse game-industrie moest dus als wederdienst voor de miljoenen – die ze verder probleemloos mochten rondpompen op de vierkante centimeter – diversifiëren.

Maar hoe creëer je diversiteit binnen een industrie die in zijn kern kliekvorming uitlokt, waar diversiteit eigenlijk helemaal niet welkom lijkt?

Faken

Het antwoord is doen alsof. Door te roepen bijvoorbeeld hoe slecht anderen het doen of generaliserend pleiten dat de ‘game-industrie een verderfelijke poel testosteron is’. Zolang er hard geschreeuwd wordt over bewustwording en veranderingsmanagment, dan gelooft men vast dat je in ieder geval je best doet. Dat na tien jaar de Nederlandse game-industrie nog steeds wordt gedomineerd door voornamelijk dezelfde mannelijke zakenlui…daar moet maar niet aan gedacht worden.

Iemand als Matthijs, wiens vakblad en awardshow bestaan bij de gratie van onze subsidiecultuur, is vermoedelijk geen echte idealist. Hij is niet écht bang dat de NRC zou worden bevuild door een vrouwenhater, hij is alleen maar bang voor zijn eigen positie in de industrie. Hij en soortgelijke predikanten behoren tot de ‘lucky few’ die hun geld in deze sector verdienen, en kennelijk tot nogal wat in staat zijn om dat te beschermen. De social justice warrior is dus niet écht links, hij doet maar alsof.