Selecteer een pagina

Mijn buurman ken ik niet, maar ik hoor hem wel. Hij schreeuwt soms. Toen ik net het huis in trok, dacht ik dat hij klaarkwam; heel erg vaak. Zo vaak zelfs, dat ik dacht: “Goh, hij komt wel erg vaak klaar.”

Op een goede zondag besloot ik zijn orgasmes te tellen. Drieëntwintig keer leek hij klaar te komen (ik zou hem gemist kunnen hebben op momenten dat ik naar de wc moest). Hij werd een soort supermens in mijn hoofd; een nieuw soort held. Totdat ik nuances ging horen. Soms leek hij wel kwaad, en andere keren was hij net iets te euforisch. Toen hij op een regenachtige middag plotseling “Headshot, motherfucker!!” riep, drong de waarheid opeens tot me door: hij speelde Call of Duty.

Er brak iets. Mijn onvermoeibare alfaman bleek een ordinaire gamer. Daarna kon ik het ook niet meer aanhoren, en werd gek genoeg toen pas echt jaloers op hem. Hier hoorde ik iemand schreeuwen bij zijn spelletje. Dat deed ik al lang niet meer. Iemand die zich kon laten meesleuren door de roes van een overwinning of de frustratie van een nederlaag. Ik hang al jaren uitdrukkingsloos achterover terwijl ik nadenk over vreselijke dingen als ‘het belang van originaliteit’.

Mijn zwager, die ik zelden nog zie, was ook een man van ontladingen. Wanneer hij mij op het nippertje versloeg met Mortal Kombat gingen zijn armen de lucht in, terwijl hij luide kreten door de kamer deed schallen. Soms sloeg hij heel hard op mijn been terwijl hij mij peilde om te zien wat het verlies met me deed. Hij zag en merkte niets aan me, maar ik zag wel zijn teleurstelling daarover.

Onze gameavonden werden minder, tot hij uiteindelijk helemaal niet meer langs kwam. Ik besloot hem na maanden stilte te bellen om te vragen of hij met mij Goldeneye wilde spelen. Dit was een van de laatste spellen waarbij ik mij liet gaan. Nu zou het absoluut moeten gebeuren en ik had er alles aan gedaan om het een bijzondere avond te maken. Kaarsen aangestoken, chips binnen handbereik.

Toen ik de deur opendeed stonden we eerst even stil tegenover elkaar. Het was ongemakkelijk, maar ik vermande me en sloeg hem op de schouder. Hij lachte weer naar me zoals hij toen ook naar me lachte en niet veel later zaten we samen Goldeneye te spelen.

Het was als een dans. Ik rende door smalle gangen met geladen geweer. Hij ook. Spiekte voorzichtig langs hoeken. Hij ook. De spanning, ik meende het te voelen. Na een minutenlang kat- en muisspel had hij mij gevonden. Ik hem niet. Hij schoot en schoot en ik was dood. “Oeeehjesch!!!!!”, riep hij. En ik? Ik riep ook iets en zo overtuigd als ik kon: “Verdikkemme, dat is shit zeg. Daar baal ik nou goed van!”

Hij legde controller op tafel en liep weg. “Vond je het niet leuk?”, vroeg ik. Met de jas al aan stond hij in de deuropening. “Zo hoeft het niet van mij”, zei hij. “Sorry, het is mijn werk”, was mijn slappe excuus. Voordat hij de deur achter zich dichttrok mompelde hij: “Als je niets voelt hoef je ook niet te doen alsof.”

Dit artikel verscheen eerder op Bashers.nl